De koolmees is de grootste mees van Nederland en een van de meest algemene broedvogels van het land. Je ziet hem het hele jaar, in bossen, parken en tuinen, en in de winter vaak op de voedertafel. Nederlandse koolmezen zijn standvogels: ze blijven hier ook in de winter.
Herkennen
Een koolmees is 13,5 tot 15 centimeter lang, met een spanwijdte van 22,5 tot 25,5 centimeter en een gewicht van gemiddeld 17 gram. Je herkent hem aan de gele buik met een zwarte middenstreep, de glanzend zwarte kop met een grote witte wang en de mosgroene rug. Op de blauwgrijze vleugel loopt een witte streep.
Mannetje en vrouwtje lijken op elkaar. Het verschil zit in de buikstreep: bij het mannetje is de zwarte streep op buik en borst breder dan bij het vrouwtje. In de vlucht zie je nog iets. De koolmees is de enige mees met witte buitenste staartpennen.
De zang is eenvoudig en ritmisch, maar komt in veel variaties, en de koolmees heeft heel veel roepjes.
Leefgebied en verspreiding
In Nederland is de koolmees een uiterst talrijke broedvogel: het land telt 400.000 tot 700.000 broedparen (2018–2020). Hij komt overal in Nederland voor, behalve in grote open gebieden zonder bomen en struiken. De meeste paren broeden in bosrijk gebied, maar kleine bosjes, parken en tuinen volstaan zolang er nestplekken en voedsel zijn.
In de winter komen er vogels bij. In strenge winters overwinteren koolmezen uit Scandinavië en Oost-Europa in grote aantallen in Nederland. Die trek loopt van half september tot half november, met een piek half oktober. Buiten Nederland leeft de koolmees overal in Europa waar bomen met nestholten staan.
Voedsel
Een koolmees eet rupsen, andere kleine insecten tot ongeveer 1 centimeter, beukennootjes en andere zaden. Op de voedertafel kiest hij graag pinda’s en zonnebloempitten.
Broeden
De koolmees broedt vanaf eind april en heeft een of twee legsels per jaar, elk met 8 tot 13 eieren (soms 7 tot 15). Hij broedt in holen. Het vrouwtje bouwt het nest van gras, mos, dierenhaar, wol en veertjes, meestal in een boomholte en soms in een muur of rots. Een nestkast neemt hij graag aan.
Het vrouwtje begint te broeden als er 8 tot 10 eieren liggen; de eieren zijn wit met rode vlekken en de broedduur is 13 tot 15 dagen. Beide ouders voeren de jongen. Die blijven 18 tot 21 dagen in het nest en worden na het uitvliegen nog 2 tot 3 weken gevoerd.
In de tuin
Met een boom, wat struiken en een nestkast krijg je bijna altijd koolmezen op bezoek. Een goede nestkast heeft een binnenmaat van ongeveer 12 bij 12 bij 25 centimeter en een invliegopening van 32 tot 35 millimeter, zo groot als een munt van 2 euro. Hang hem bij voorkeur met de opening naar het noordoosten, en zo dat katten er niet bij kunnen.
In de winter help je koolmezen met vetbollen (niet in een netje), pinda’s en een voedertafel.
Bescherming
De koolmees is niet bedreigd; de IUCN-categorie staat in de kerngegevens. Het aantal broedparen in Nederland is in de laatste decennia gegroeid, maar groeit de laatste tien jaar niet meer duidelijk.
Er zijn wel twee zorgen. Door warmere voorjaren valt de piek van het broeden niet meer samen met de piek in het voedsel. En in naaldbossen op arme zandgrond lopen de broedresultaten terug door kalkgebrek, een gevolg van verzuring door stikstof.
Zoals alle wilde vogels in Nederland is de koolmees beschermd onder de Europese Vogelrichtlijn, in Nederland uitgewerkt in de Omgevingswet.
Lijkt op
- Pimpelmees: kleiner, met een blauw petje en geen zwarte kop.
- Zwarte mees: zwarte kop met een witte vlek in de nek, maar geen gele buik.
- Matkop en glanskop: grijsbruine mezen met een zwart petje en een lichte buik.
__Parc_de_Woluw%C3%A9__Brussels_(13042792905)_ZQk85o.webp)